Indrukwekkend getuigenis van Ingrid Betancourt

‘Ik geloof in God, dus ook de liefde voor God, de liefde die uit God komt. Waarom God mij daar in de jungle liet zijn? Ik weet het niet, maar wat ik wel weet, is dat er iets goeds uit iets kwaads is gegroeid. Mijn geloof heeft tijdens mijn gevangenschap een ontwikkeling doorgemaakt.’ 23 februari 2002. Het is geen eenvoudige beslissing voor de Colombiaanse presidentskandidate Ingrid Betancourt om naar de verafgelegen provincieplaats San Vicente af te reizen. Haar vader ligt op sterven. Toch vertrekt ze. Hij stond erop: ‘Je hebt het beloofd, de mensen in San Vicente wachten op je, je moet gaan.’

Nog geen 24 uur later wordt de terreinwagen van het campagneteam tegengehouden en kijkt Ingrid in de loop van een geweer. ‘Op dat moment realiseerde ik me wat me overkwam. Ik was gegijzeld.’

Er volgen lange jaren vol angst, verdriet en pijn. Jaren waarin ze vijfmaal probeert te ontsnappen en even vaak door de guerrillero’s van de FARC wordt teruggehaald. Uiteindelijk, na zes en een half jaar, volgt er een spectaculaire reddingsoperatie en komt de nachtmerrie ten einde.

Speelfilm
Ingrid Betancourt (1961) is een van ’s werelds bekendste gijzelaars. Over haar beproeving schreef zij het boek: ‘Zelfs aan de stilte komt een eind’. Een buitengewoon avonturenverhaal dat zich uitstekend leent voor een verfilming. Een mooie presidentskandidate in de greep van vijandige rebellen tegen het decor van krokodillen, anaconda´s en mierenkolonies plus een droomscenario met een happy end.

Die film komt er ongetwijfeld, maar is daarin ook een rol weggelegd voor de katholieke achtergrond van de hoofdrolspeelster? Juist haar geloof heeft haar immers door deze hel gesleept. En dat laat ze blijken. Twee maanden na haar bevrijding gaat ze op audiëntie bij paus Benedictus XVI om hem te bedanken voor zijn inspanningen om de gijzelaars in Colombia vrij te krijgen. Na afloop van het onderhoud zegt ze tegen de pers: ‘Tijdens mijn gevangenschap diep in het Amazone-oerwoud temidden van mijn wanhoop en verdriet hoorde ik de stem van de paus op de radio die mijn naam uitsprak. Zijn stem was als een licht. Daarom wilde ik wanneer ik vrij zou zijn hem ontmoeten en bedanken. Vandaag is die droom in vervulling gegaan. ’

Bijbel en rozenkrans
Ingrid beschrijft zichzelf als een gelovige vrouw die elke ochtend God dankt en die op de heilige Maagd Maria vertrouwt. ‘De dagen in gevangenschap leken eindeloos,’ schrijft ze, ‘wreed verlengd tussen wanhoop en verveling. Daarentegen leken de weken, de maanden en later de jaren zich razendsnel aaneen te rijgen. Het besef dat die tijd voorgoed verloren was, droeg bij aan het angstige gevoel dat ik levend begraven was.’

Om de verveling te verdrijven gaat de politica de Bijbel lezen. ‘Zou ik de rijkdommen van de Bijbel ook hebben ontdekt als ledigheid en somberheid me daar niet toe hadden gedreven? Ik vrees van niet. In de wereld die de mijne was geweest, was geen plaats voor stille overpeinzingen. Maar met niets om je af te leiden beginnen woorden en gedachten door je hoofd te malen. Dan herlas ik die passages en ontdekte waarom ze me niet hadden losgelaten. Het waren kieren, geheime gangen, bruggen naar andere bespiegelingen en naar een geheel andere interpretatie van de tekst.’

De Bijbel dwingt haar met andere ogen naar zichzelf te kijken. ‘Het was niet langer alleen maar een boek dat ik las om de verveling te verdrijven. Het was een levende stem die me toesprak. Mij.’

Ze komt op een punt dat ze nieuwe perspectieven ziet. ‘Ook al was ik al mijn vrijheid kwijt en daardoor, wat voor mij het zwaarste was, gedwongen ver van mijn kinderen, mijn moeder, mijn neven en mijn dromen te leven, met mijn hals aan een boom, zonder te kunnen bewegen, opstaan noch zitten, zonder het recht te hebben te spreken of mijn mond te houden, te drinken en te eten en niet eens vrijelijk de behoeften van mijn eigen lichaam te kunnen bevredigen, in de diepste vernedering, behield ik toch nog de kostbaarste van alle vrijheden, die niemand me ooit zou kunnen ontfutselen: het besluit wie ik wilde zijn.’

Bidden om de vrijheid?
Ze bidt veel, maar God vragen om haar de vrijheid te geven, dat durft ze niet. ‘Als ik Hem wilde smeken om me uit mijn gevangenis te bevrijden, vond ik dat onmiddellijk klein, te kleinzielig, te egocentrisch van mezelf, alsof het slecht was om te denken aan mijn welzijn of een beroep te doen op Zijn welwillendheid. En ook misschien wel dat ik iets anders van Hem wilde dan wat Hij me wilde geven. En toen ik dat zo onder woorden had gebracht, begreep ik dat ik de essentie miste, dat er waarschijnlijk iets hogers was dan mijn vrijheid wat Hij me zou kunnen geven en wat ik nog niet op zijn juiste waarde wist te schatten. Ik ontdekte een andere manier van leven, minder actief en meer introspectief. Niet meer in staat om invloed uit te oefenen op de wereld wendde ik mijn energie aan om invloed uit te oefenen op ‘mijn’ wereld. Ik wilde een steviger, een sterker ‘ik’ ontwikkelen.

Toch groeit de uitzichtloosheid van haar situatie haar boven het hoofd. ‘Ik leefde alleen nog maar om mezelf te zien sterven. Was dit mijn lot? Ik was woedend op God dat Hij me in de steek had gelaten. Een gevangenis, prikkeldraad? Ik leed bij elke ademhaling, wilde niet meer leven. Maar ik moest leven. Er waren de anderen, alle anderen, mijn kinderen, mama. Ik sloot mijn handen over mijn knieën, woedend op mezelf en op God, en hoorde mezelf zeggen: ‘Laat niet toe dat ik me van U afwend, laat dat niet toe!’

Beloften
Juni 2008. Ingrid, zes en een half jaar gegijzeld, is in zware melancholie verzonken. Op een middag hoort ze op de radio een man die spreekt over de beloften van het Heilig Hart. Juni was de maand van het Heilig Hart van Jezus en wie Hem aanriep zou op bijzondere genaden mogen rekenen. Met een potlood schreef ze de beloften op een sigarettendoosje.

´Er waren er twee in het bijzonder die mijn meest diepgewortelde verwachtingen leken uit te drukken: ‘Ik zal al uw plannen zegenen’, en ‘Ik zal de meest verharde harten openen’. Zonder na te denken richtte ik mij tot Jezus en zei: ‘Ik zal U niet vragen mij te bevrijden, maar als Uw beloften geldig zijn, dan wil ik U één enkel ding vragen: laat mij in deze junimaand die de Uwe is, inzien hoe lang ik nog in gevangenschap zal moeten leven. Als ik het zou weten zou ik het kunnen volhouden. Want ik zou het einde ervan zien. Als Gij het mij laat weten beloof ik U dat ik de rest van mijn leven alle vrijdagen tot U zal bidden. Dat zal het bewijs zijn van mijn devotie voor U, want ik zal weten dat Gij mij niet hebt verlaten.’

Licht in de tunnel?
Maar er was weinig hoop ondanks internationale steunbetuigingen aan de gijzelaars. ‘In deze junimaand leek onze situatie erger vast te zitten dan ooit. Er zit niks voor jou in, hield ik mezelf voor, om mij geen illusies te maken.’ En toch is er op 28 juni verrassend nieuws: er zal een commissie Europeanen op bezoek komen om zich op de hoogte te stellen van de gezondheid van de gijzelaars. Ingrid, die nog steeds hoopt voor eind juni uitsluitsel te krijgen, leeft op. Hangt vrijlating dan toch in de lucht?

Ondertussen moet er weer eens verkast worden. ‘Ik werd om drie uur ’s morgens wakker en pakte mijn rozenkrans. Het was woensdag. Op die dag bad ik met des te meer vreugde omdat ik ervan overtuigd was dat er een pact met Jezus gesloten was. Hij heeft woord gehouden, hield ik mij voor ook al wist ik absoluut niet wat me te wachten stond.’

Dan verschijnen de helikopters. Niemand weet wat er gaat gebeuren. Ingrid vertrouwt het niet. ‘Dit is geen internationale commissie, er komt geen enkele vrijlating en wij worden God weet waar naar toe gebracht. Wij blijven hier nog tien jaar gevangen.’

Geboeid en onzeker stappen de gijzelaars in de helicopter. Maar eenmaal in de lucht worden de twee FARC-guerrillero’s eenvoudig overmeesterd door het helikopterpersoneel en hoort Ingrid: ‘Wij zijn van het Colombiaanse leger. Jullie zijn vrij!’

‘Een lang, heel lang en heel pijnlijk gebrul steeg uit het diepst van mijzelf en vervulde mijn keel alsof ik vuur spuugde tot aan de hemel, mij verplichtend me geheel te openen als bij een baring. Ik pakte mijn rozenkrans die ik als armband droeg, drukte hem in onuitsprekelijke dankbaarheid tegen mij lippen.’

Epiloog
De bevrijde gijzelaars worden naar de bewoonde wereld gevlogen. Voor de pers zijn Ingrids eerste woorden: ‘Allereerst dank ik God en de heilige Maagd. Ik heb heel veel tot hen gebeden. Ten tweede dank ik allen die voor mij hebben gebeden en aan me hebben gedacht.’

Hoe denkt Ingrid nu over de kidnappers? ´Ik heb een besluit genomen, met prioriteit: vergeven. ‘Ik vergeef.’ Die woorden hebben een magische kracht. Ze zijn massage voor de ziel. Wat de FARC mij en alle gijzelaars heeft aangedaan, is wreed en zinloos. Ik heb voor mijn leven gevreesd. De dood was mijn dagelijkse compagnon. Ze hadden orders om mij te doden als ik bevrijd dreigde te worden. De onzekerheid, het niet weten wat ze met je gaan doen, dat is verschrikkelijk. Het levert hen uiteindelijk niks op, ze worden er in geen enkel opzicht iets wijzer van. Ik voel mededogen met hen. Op een dag zal hun geweten misschien gaan spreken. Ik hoop dat God hen op een punt brengt dat ze betere mensen kunnen worden.’

-Ko van den Boom

Boek
Ingrid Betancourt. ´Zelfs aan de stilte komt een eind ´ Uitgeverij Balans



Reacties

er zijn nog geen reacties

Reageren

Naam:

Bericht:


Code:

Poll
Een groot gezin is een bijbelse opdracht die we negeren. Gelovigen moeten grote gezinnen stichten.
Eens, die opdracht staat nog steeds. Gelovigen moeten zich niet laten beïnvloeden door wereldse opvattingen over het gezin.
Die opdracht gold voor het begin der tijden. Nu zijn er meer dan genoeg mensen op de wereld. Een klein gezin is ook goed.
Een groot gezin is in deze tijd asociaal. Gelovigen moeten voorop gaan in een bewuste omgang met de aarde!
Elk kind is altijd, ongeacht de grootte van het gezin, een zegen van God.


96 stemmen
Bekijk resultaten   |   archief
Twitter
volg ons nu ook op twitter

@InspiratieMag