Begrafenis of crematie?

Tegenwoordig kom je veel reclames van uitvaartverzekeringen tegen die je aansporen om je eigen uitvaart te regelen en je daarvoor te verzekeren. Voor veel mensen is de uitvaart een thema waar ze liever niet bij stilstaan. Soms komt het in een huwelijk voor dat een van de partners die graag ter sprake wil brengen, terwijl de ander het er niet over hebben wil.
Misschien doordat het spreken over de uitvaart als het ware de eigen dood dichterbij brengt.In een van de prefaties van de uitvaartmis blijkt het begrip van de Kerk voor deze huiver: daar worden wij genoemd ‘quos contristat certa moriendi conditio’; ‘mensen die bedroefd worden door hun sterfelijkheid’ (prefatie I van de requiemmis).
Toch mag je anderzijds zeggen dat ons christelijk geloof juist de manier bij uitstek is om onze dood met vertrouwen tegemoet te mogen zien. In dezelfde prefatie wordt ook gesproken over de troost die geschonken wordt door de belofte over het eeuwige leven.
In veel teksten van de apostel Paulus wordt gesproken over sterven met Christus en verrijzen met Christus. Interessant daarbij is dat de doop vergeleken wordt met sterven en begraven worden: de overgieting van het water of het ondergedompeld worden in het water staat symbool voor sterven (in de dood ‘verdrinken’ en begraven worden). Het opstaan uit het water staat symbool voor de verrijzenis. De symboliek van de doop komt weer terug in de uitvaartliturgie, als de overledene besprenkeld wordt met wijwater, wat verwijst naar de doop. Zo staat zowel het begin als het einde van het christelijke leven in het teken van de dood en verrijzenis van Jezus en van onszelf.
Zo bezien zouden dood en begrafenis thema’s moeten zijn waarover we rustig kunnen spreken.
Augustinus
Een van de Kerkvaders die op dit thema inging, was de beroemde Augustinus van Hippo. Hij schreef een interessant tractaatje onder de titel ‘De cura pro mortibus gerenda’, dat een paar jaar geleden in het Nederlands vertaald is onder de titel ‘Wat kunnen wij voor de doden doen?’.
Augustinus beantwoordt daarin de vraag of het zin heeft dat iemand bij het graf van een heilige begraven wordt. Hij neemt tevens de gelegenheid te baat om allerlei verwante vragen te beantwoorden, bijvoorbeeld of het zin heeft voor overledenen te bidden, en de betekenis van een begrafenis als zodanig te behandelen. Augustinus stelt dat ook voor ongelovige nabestaanden het begraven een menselijke plicht is. Voor gelovigen geldt dat des te meer: omdat christenen geloven in de verrijzenis van het lichaam, zijn ze eerbied en zorg verschuldigd jegens de lichamen van overledenen. Hij verwerpt echter de heidense gedachte dat de ziel van een lichaam dat niet begraven is geen rust vindt. De begrafenis als zodanig draagt niet bij aan het welzijn van de ziel van de overledene, alleen het gebed voor hem of haar, als deze in zijn leven het verdiend heeft daardoor geholpen te worden. Een begrafenis in de buurt van het graf van een heilige kan dus de overledene baten, als die een uitdrukking is van gebed tot God en genegenheid voor Hem.
Augustinus ziet de begrafenis als een uitdrukking van geloof in de verrijzenis van het lichaam, al zegt hij ook dat het voor Gods macht om iemands lichaam te laten verrijzen niet uitmaakt of zijn lichaam wel of niet begraven is.
Losse ziel
De eerbied voor het lichaam heeft alles te maken met de visie van het joods-christelijke geloof op de mens. In tegenstelling tot sommige andere religies en filosofieën ziet het christendom de mens niet als een ziel met als het ware een los omhulsel van een lichaam er omheen. Een ‘losse’ ziel zou bijvoorbeeld na de dood naar een ander lichaam kunnen verhuizen, zoals in het hindoeïsme. In de joods-christelijke overtuiging is de relatie tussen ziel en lichaam uniek: samen vormen zij de menselijke persoon, dus als de mens werkelijk verrijst, moet ook zijn lichaam daar op de een of ander manier deel aan hebben, ook al weten we niet hoe we ons dat precies moeten voorstellen (de apostel Paulus heeft daar mooie beelden voor: zie 1 Kor.15, 35-57)
Het valt op dat Augustinus niet spreekt over de mogelijkheid van crematie, een vraag waar tegenwoordig veel mensen voor staan. In de Romeinse oudheid, waarin Augustinus leefde, bestond zowel de gewoonte om te begraven als de gewoonte om te cremeren. Wellicht was de voorkeur van de christenen om te begraven (zoals bij de joden gebruikelijk is) zodanig verspreid, dat deze vraag niet eens bij de Kerkvader opkwam. Een van de belangrijkste motieven voor begraven is dat het een bijbels gebruik is, en vooral dat Jezus zelf begraven is. Het begrafenisritueel leent zich uitstekend voor verwijzingen naar bijbelse teksten. (Een ander motief kan heel praktisch zijn geweest: het schijnt dat de houtschaarste in de oudheid noopte tot afzien van crematies.) Hoe dan ook, de crematie verdween praktisch uit de Europese christelijke cultuur, behalve in bepaalde extreme situaties, zoals bij een pestepidemie in 1656 in Napels, waar tijdens één week de lichamen van 60.000 slachtoffers gecremeerd moesten worden.
Antikerkelijk
In de achttiende en negentiende eeuw werd de crematie echter bepleit door vrijmetselaars en andere antikerkelijke groeperingen. Daardoor werd de wens om gecremeerd te worden gezien als uitdrukking van onkerkelijkheid of van ongeloof in de verrijzenis. Daarom verbood het kerkelijk wetboek van 1917 aan hen die crematie wensten een kerkelijke uitvaart (zie canon 1239 en 1240.)
Het huidige kerkelijke wetboek beveelt de begrafenis aan, maar verbiedt de crematie niet, tenzij deze gekozen wordt ‘om redenen die met de christelijke leer in strijd zijn’ (zie CIC 1983 c 1176). Daarmee laat de Kerk zien dat het eigenlijk gaat om het geloof in de verrijzenis en de uitdrukking daarvan.
De inleiding op het huidige rituaal voor uitvaarten zegt het zo:
‘Hoewel de kerk de voorkeur geeft aan het gebruik de lichamen van de overledenen te begraven, zoals de Heer zelf begraven werd, staat zij aan degenen die om crematie van hun lichaam gevraagd hebben de kerkelijke uitvaartplechtigheden toe, wanneer de reden waarom de crematie gevraagd is niet in strijd is met de christelijke levensopvatting.’
In het ‘Directorium voor volksvroomheid en liturgie,’ (nr 254) spoort de kerk de gelovigen aan de as van overledenen niet thuis te bewaren, maar ‘een gebruikelijke begrafenis te geven totdat God hen uit de aarde zal doen verrijzen die er rusten en de zee haar doden teruggeeft (vergelijk Apocalyps 20,13).’ (Onder begrafenis kan men hier uiteraard ook de plaatsing in een columbarium verstaan, HtH).
Ontroerende herinnering
Ondanks deze voorkeur van de Kerk voor de begrafenis kunnen bij mensen andere motieven een rol spelen bij de keuze tussen begraven of cremeren. Soms zijn dat afwegingen van financiële aard, andere mensen vragen zich af wie na hun dood voor hun graf zal zorgen. Anderzijds kan ook een oud graf, misschien wat verwaarloosd, een ontroerende of indrukwekkende herinnering zijn aan een mens die anderszins helemaal vergeten zou zijn. Een belangrijk motief voor nabestaanden om wel een graf te wensen, is het verlangen naar een zichtbare plaats om de dierbare overledene te gedenken. Het belang van een graf voor de rouwverwerking moet niet onderschat worden, al verschilt dat natuurlijk voor ieder persoonlijk.
Zowel de voorkeur van de Kerk voor de begrafenis, alswel het toestaan van de crematie, laat zien dat het uiteindelijk gaat om het geloof in de verrijzenis en het respect voor de mens, wiens lichaam eens ‘tempel van de heilige Geest’ (1 Kor 6, 19) was.
Pastoor Henri ten Have