Van de hoofdredacteur: veertig dagen voor dummies

Pasen komt er aan. Maar aan het feest van de opstanding gaat traditiegetrouw een periode van vasten vooraf. Een periode die exclusief de zondagen veertig dagen en veertig nachten duurt. Dat is geen toeval, maar heeft een diepe symboliek want het getal veertig heeft zowel in de joodse als de christelijke traditie een speciale betekenis.
In het Oude Testament komt het getal veertig meermalen terug. De zondvloed duurde veertig dagen; Mozes, die zijn volk uit de slavernij van Egypte leidde, bleef veertig dagen op de berg Sinaï, waar hij van God de tien geboden ontving. Omdat het volk niet luisterde naar God, moest het bovendien veertig jaar door de woestijn zwerven voordat het beloofde land mocht worden binnengetrokken. Veertig jaar staat ook voor een nieuwe generatie die het land mag veroveren in plaats van de generatie die uit Egypte wegtrok.
De reus Goliath daagt zijn vijand veertig dagen lang uit voordat de latere koning David hem velt met een steen uit zijn slinger. De profeet Jona moet veertig dagen preken om de bewoners van de stad Nineve de kans te geven zich te bekeren. In de evangeliën staat beschreven hoe Jezus na zijn doop de woestijn in trekt om daar veertig dagen te vasten in voorbereiding op de taak die Hem wacht.
Woestijnperiode
In de woestijn wordt Jezus beproefd door de duivel die probeert Hem te verleiden tot ongehoorzaamheid aan Zijn missie en aan God. Nu nog noemen we een moeilijke periode in een mensenleven een woestijnperiode: het is zwaar, het is afzien, je geloof wordt in het lijden op de proef gesteld, maar wie er goed doorheen komt weet zich gelouterd, gesterkt en gegroeid in geloof. Een christen verwoordde dit in een beroemd geworden gedicht ‘Voetsporen in het zand’. Hij beschrijft hoe hij moeizaam door het zand ploetert en aan het eind van zijn tocht God vraagt: ‘waar was U?’ ‘Naast je’, zegt God, maar als de christen zich omdraait ziet hij maar een voetspoor. ‘Hoe kan dat dan?’, vraagt hij en God antwoordt: ‘Ik droeg je.’
Traditie
Onder de eerste christenen ontstond algauw het gebruik om in voorbereiding op het Paasfeest te vasten. Aan het eind van de derde eeuw voerden christenen naar het voorbeeld van Jezus een vastenperiode van veertig dagen in. Door bewust een ‘woestijnperiode’ in te gaan, waarin afzien van voedsel, boete doen en een speciale toewijding aan God centraal stonden, streefden ze naar loutering en groei in geloof.
Deze veertigdagentijd ontwikkelde zich tot een kerkelijke traditie, waarvan het oorspronkelijke doel soms ondersneeuwde door de dwang van verplichting. Ook nu kent de Kerk deze periode nog, beginnend op Aswoensdag, al zijn tegenwoordig alleen Aswoensdag en Goede Vrijdag nog verplichte vastendagen. Verder mag ieder deze periode zelf invullen, met het advies je extra in te zetten voor de medemens en je geestelijk leven door gebed en bijbellezen een extra impuls te geven. Het oorspronkelijke doel komt zo onder het stof vandaan en christenen van nu kunnen deze tijd benutten door een bewuste periode van devotie, afzien en delen hun geloofsleven te verdiepen.