Joanne: Lof zingen voor de rivier
Laatst op het secretariaat kwam de mevrouw van het sacraal dansen en reiki weer eens langs. Opnieuw om een gebedsintentie te regelen voor haar overleden moeder. Sinds we een goed gesprek hadden over de overeenkomsten tussen haar en haar zeer katholieke moeder, hebben we best goed contact. Zij probeert mij met verve te overtuigen van haar alternatieve zienswijzen en ik probeer haar subtiel terug te winnen voor het katholieke geloof. Zij vindt zichzelf een moderne katholiek die de toekomst van de Kerk vertegenwoordigt. Ik vind haar meer iemand die is blijven steken in de jaren zestig/zeventig en van een uitstervende soort. Maar al met al mogen we elkaar best.Haar felheid spreekt me aan en ze heeft gevoel voor humor. Nu vertelt ze enthousiast over een evenement waarbij een rivier lof werd toegezongen door een schare kinderen van ‘moeder aarde’. Ze had graag mee willen doen. ‘Tja, als het christendom verdwijnt, vallen mensen terug op oude religies en bijgeloof.’ laat ik me ontvallen. Ze pakt dat positief op. ‘Ja, we komen misschien wel terug bij de kern’. ‘Willibrord en Bonifatius zouden zich omdraaien in hun graf als ze u zo hoorden’, zeg ik. ‘Weet u dan niet dat bij dergelijke religies mensen vooral worden gestuurd door angst? Ze moeten steeds iets doen om de zon of de rivier of wat dan ook tevreden te houden en dat lukt natuurlijk niet. Als de rivier overstroomt is het hun schuld, want zij hebben hem boos gemaakt.’ ‘Zo denken katholieken anders ook vaak’, zegt ze. ‘Ik doe dit of dat want anders wordt God boos.’ Ze heeft helaas gelijk, moet ik toegeven. ‘Maar dat is niet de bedoeling’, zeg ik vol vuur. ‘Jezus is juist gekomen om mensen vrij te maken, ook van hun angsten.’
‘Ik ben soms ook bang’, zegt ze dan ineens. ‘Voor de dood. Ik weet niet wat ik moet verwachten.’ Ze lijkt ineens oud en kwetsbaar. ‘Mijn moeder ging met een gelukzalige glimlach toen ze stierf, ‘naar Jezus’, zei ze nog. Maar wie wacht er straks op mij?’ We zijn er even stil van. ‘De rivier niet, denk ik,’ flap ik er uit. Ze kan er gelukkig om lachen. ‘Jezus wacht ook op u’, zeg ik dan. ‘Hij wacht met uitgestoken handen. U hoeft ze alleen maar te pakken.’ Ze zucht. Het laatste woord hierover is tussen ons hopelijk nog niet gezegd.
Joanne.